11e-15e eeuw: het gebied wordt drooggelegd

In de 11e eeuw is het grote veengebied ten oosten van de Vecht nog nat. Het gebied wordt drooggelegd om het te kunnen gebruiken voor de landbouw.

Dat doet men door sloten te graven. Zo wordt het water naar de Vecht afgevoerd. Een dijkje verderop, een zogenoemde achterkade, zorgt ervoor er geen water meer binnenkomt. De Kooidijk was ooit zo’n achterkade.

Rond 1300 is het gebied tot de Kooidijk drooggelegd. Daarna is het stuk tussen het huidige Achttienhoven en de Kooidijk aan de beurt. Tussen de Kerkeindsche en Achttienhovensche Vaart vangt men het teveel aan water op. Molen malen het vervolgens weg. Deze vaarten worden trouwens ook gebruikt om goederen (zoals turf) en personen te vervoeren.